Als kind maakte ik graag ‘toverdrankjes’. Wat vlierblad, paar paardebloemen en wat ander onkruid erbij, water, even stampen en je had een pittig ruikend groen sapje. Dat was dan een toverbrouwsel om onzichtbaar te worden, of prinsen mee in kikkers te veranderen, of – twee decennia voor Red Bull – een drankje dat je vleugels gaf.

Nog altijd houd ik van bijzondere brouwsels in grote pannen. Zo stond ik onlangs achter een grote pan pruttelende rode druivengelei . Ook dat had iets magisch. Je ziet de druivenstruik groen worden. Dan komen er kleine druiventrosjes aan. De druifjes groeien, krijgen een blosje, en worden ten slotte diep gekleurd. Dan pluk je ze. Even wassen, druifjes van de takjes, koken, door een vergiet persen, nogmaals koken, nu met heel, heel veel geleisuiker. Een dampende pan staat op het aanrecht. Een nette koker ben ik niet, het ziet eruit als een slagveld – overal bloedrode vlekken, keukengerei en afgekeurde of weggerolde druiven. Maar na het brouwen heb ik acht potjes heerlijke jam, die maanden houdbaar is. Zo zijn mijn kwetsbare druifjes getransformeerd, met geleisuiker als magisch element. Pas maar op als je de jam eet. Misschien word je wel onzichtbaar, of verander je in een kikker, of krijg je vleugels!